
Op de dag af zestig jaar na de officiële opening van de School voor de Journalistiek aan de Palmstraat in Utrecht, overleed Kees Brants. In de lijst leerlingen: Kornelis L.K. Brants. Hij leerde er Chrisje Langeraar kennen, zij werden snel een van de paren die in die eerste schooljaren ontstonden. Zestig jaar bij elkaar, een dochter en een zoon gekregen en allebei hoogleraar geworden. Hij in Leiden, zij in Utrecht. Kees had de laatste jaren fysiek zware tegenslag te verduren. Toch kwam hij samen met Chris naar onze jaarlijkse borrel op de tweede woensdag van oktober. Vrolijk grappend, losse vragen stellend, een gangmaker. Altijd aangenaam aan de lange tafel in café Hesp. Op 2 oktober 2026 overleed hij.

Bij de herdenkingsbijeenkomst op 9 oktober sprak onze jaargenote van 1966 – 1969 Marjolijn Uitzinger:
Zestig jaar geleden, op de kop af, begon de School voor de Journalistiek. In een oud schoolgebouw aan de Palmstraat in Utrecht, met een noodlokaal erbij dat dienst deed als sociëteit en waarin minstens zoveel uren werden doorgebracht als in de klaslokalen.
Een school zonder gevestigde cultuur. Die cultuur moest nog ontstaan. Alles was nieuw. Nieuw voor de pakweg 65 jonge mensen, meest keurig gekleed, die daar gingen studeren. En nieuw voor de docenten. Maar dat laatste bleef binnen de perken: het onderwijs was klassikaal en de studenten werden met u aangesproken. Net als de docenten zelf.
Drie jaar later, in 1969, toen onze lichting afzwaaide, was er alleen nog maar projectonderwijs, iedereen tutoyeerde iedereen, en in de gangen moest je oproeien tegen een penetrante wietlucht.
Kortom, wij maakten het aan den lijve mee: de ongekende omslag van de naoorlogse, brave samenleving naar de kleurige jaren van eind jaren zestig.
Ik kwam terecht in klas D. De klas van veel mensen die hier aanwezig zijn, zoals Marinus Potman en Cees Labeur.
En in klas B was een illuster groepje ontstaan, waar iedereen wel een beetje tegenop keek. Kees Brants, Chrisje Langeraar, Willem Hogendoorn, Adriaan Bloemendaal, Maria Hendriks. Zij zetten de toon, je zou ze tegenwoordig influencers noemen.
Een vrolijk groepje en dat was niet in de laatste plaats te danken aan Kees, met zijn pretoogjes en zijn scherpe blik. Nooit kwetsend, niet cynisch, maar altijd de wereld bekijkend met een ironische blik. En ongelofelijk geestig. Zo aardig ook. Geen jongen om bang voor te zijn, integendeel, je was graag in zijn gezelschap. Kees was moeiteloos populair en dat is zo gebleven, zijn hele leven lang.
Ik hoorde dus tot een andere groep, maar toch even twee herinneringen. Kees vertelde over de seksuele voorlichting die hij thuis kreeg. Die bleef lang uit en ik denk dat hij al seksueel aktief was, voor zijn moeder een keer zei: Zeg Kees, als je eens ’s nachts wakker wordt en je bed is nat…
Daar zal je het hebben, dacht Kees en hij wachtte gespannen af hoe zijn moeder deze uitdaging zou oppakken. ‘Dan roep je me maar en dan verschoon ik het wel’, zei zijn moeder.
Over zijn relatie met Chris, sinds die studietijd een soulmate in de letterlijke zin van het woord, kan iedereen hier uren praten, dus ik hou het kort. Die kant van het verhaal komt vandaag nog ruimschoots ter sprake.
Maar één gebeurtenis weet ik nog heel goed. Chrisje en ik liepen allebei stage bij de Geïllustreerde Pers. Chris bij Avenue, bepaal niet tot haar genoegen trouwens, en ik bij de Nieuwe Revu.
In de middagpauze spraken we vaak af om het leed uit te wisselen. Op een dag was Chris bij de bedrijfsarts geweest, ze had een lichamelijke klacht. En die dokter zei, vertelde Chris, hoe zit het met je man?
Je man, herhaalde ze. Ik zie haar gezicht nog voor me. Je moet dat ook in de tijd zien – je was het niet gewend dat je serieus genomen werd als jong stel. Het was erkenning, Chris straalde.
Ik ben dankbaar dat ik hier een paar woorden mocht zeggen over onze tijd op de School voor de Journalistiek, die zo bepalend is geweest voor ons leven.
En heel blij dat ik Kees heb gekend. Ik wens jullie heel veel sterkte om zonder hem verder te gaan.
Marjolijn Uitzinger
Nawoord van Chrisje Brants – Langeraar:
Ik weet niet of het ‘bon ton’ is – een in memoriam van een weduwe. Wat een rot woord: volgens het etymologisch woordenboek komt het uit het Indo-Germaans en betekent het “gescheiden” of “leeg zijn”. Ik schrap het dus uit mijn vocabulair. Bon ton of niet zal me worst wezen. Kees hield van dingen die niet bon ton zijn, en hij verdient het, in de eerste plaats van mij.
Dit is trouwens ook geen in memoriam, en evenmin de letterlijke tekst van wat ik op zijn afscheidsbijeenkomst op 9 oktober heb gezegd. Het is een bedankje aan al die oude vrienden van de School voor de Journalistiek die genoeg om hem/ons gaven om die dag te komen of mij te berichten, dan wel ons in zijn laatste, tragische jaar te steunen. We hebben het toen niet makkelijk gehad.
Op die bijeenkomst werd eigenlijk alles al gezegd over Kees. Hoe lief en aardig hij was, hoe humorvol, hoe erudiet en over hoe wij op de SvdJ al onafscheidelijk waren en alles samen deden. Wat dat betreft een kleine aanvulling op de toespraak van Marjolijn. Het verhaal van de bedrijfsarts klopt. Maar na de vraag “Hoe gaat het met je man?” volgde een ongevraagd en onwelkom advies waar ik godbetert 27,50 gulden voor moest neertellen, een vermogen toen je kamer in Utrecht 60 gulden kostte: “Je moet het ook niet zo vaak doen. Daar krijg je dit soort ongemak van”. Ja, ook dat deden we samen, in een tijd dat het zeker niet bon ton was: vele uren in bed op de Hopakker toen we eigenlijk bij Wouter Blok in de klas moesten zitten. We hebben er twee geweldige kinderen aan overgehouden die even overweldigd zijn als ik door zijn dood.
Het doet mij veel dat hij zo geliefd was. Ook dat hij charmant was werd veel geroemd en het feit dat hij daarmee tot op hoge leeftijd vrouwen als bijen om de honingpot aantrok. Hij was zich daar niet van bewust (deel van de charme ongetwijfeld). Ik zag het natuurlijk wel en dacht dan alleen: “Ja, maar ik heb hem!” En zo was het. Ik had hem, onvoorwaardelijk, 60 jaar lang.
En nu heb ik mijn soulmate verloren, en kan daar geen woorden voor vinden. Dat doet de Engelse dichter W.H. Auden dan maar voor me in het gedicht “The stars are not wanted now”, ook wel bekend als “Stop all the clocks”.
He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last forever: I was wrong.
En daar laat ik het bij. Behalve nog te zeggen dat Kees het nooit over zijn eigen uitvaart wilde hebben, en de organisatie ervan dumpte hij, bij testament nog wel, bij mij en de kinderen. Wel zei hij altijd: “Op mijn begrafenis mag je Desolation Row van Bob Dylan draaien. Dat lijkt me genoeg”. Dat hebben we dan ook als slot van de bijeenkomst gedaan. Out with a bang op z’n jaren zeventigs, de tijd waarin wij zijn gevormd. Hij zou het prima hebben gevonden.
En dan had je de ‘broertjes Tromp’, uit het verre Haarlem, die (nog) niet erg welbespraakt waren en opkeken tegen ‘het groepje’, de influencers, maar meteen al lol hadden in de persoon van Kees, in de pret van zijn ogen, in de ironie van zijn woorden, in de ferventie van z’n zijn en in het geluk van zijn verovering van een meisje van school!
Nooit vergeten. Goed onthouden. Dag Kees.
ferry